Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    uitspreken

    werkwoord | Taalniveau: B1

    een woord of mening hardop zeggen

    Voorbeeldzinnen met het woord uitspreken

    • "Ze sprak haar zorgen uit in de vergadering."
    • "Hij sprak het woord verkeerd uit."

    Synoniemen van uitspreken

    Idiomen

    • • vrijuit je mening uitspreken
    • • duidelijk uitspreken

    Vervoeging van uitspreken

    Ik (nu) ik spreek uit
    Hij/zij (nu) hij spreekt uit
    Wij (nu) wij spreken uit
    Verleden tijd sprak uit
    Voltooid deelw. uitgesproken
    Hulpwerkwoord hebben

    Veelgestelde vragen over uitspreken

    Wat betekent uitspreken?
    een woord of mening hardop zeggen
    Op welk taalniveau hoort uitspreken?
    Het woord uitspreken hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van uitspreken?
    Synoniemen van uitspreken zijn: verwoorden, uiten, articuleren.
    Hoe vervoeg je uitspreken in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je uitspreken als volgt: ik ik spreek uit, hij/zij hij spreekt uit, wij wij spreken uit.
    Wat is de verleden tijd van uitspreken?
    De verleden tijd (enkelvoud) van uitspreken is: sprak uit.
    Wat is het voltooid deelwoord van uitspreken?
    Het voltooid deelwoord van uitspreken is: uitgesproken.
    Gebruik je hebben of zijn bij uitspreken?
    Bij uitspreken gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".

    Delen

    Bladeren op letter