Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen

    Woorden met P

    hetP2000zelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    een paging- en alarmeringssysteem dat in Nederland wordt gebruikt door hulpdiensten voor snelle communicatie

    hetpaardzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A1

    Groot viervoetig zoogdier dat door mensen bereden of als trekdier gebruikt wordt

    depaardenkastanjezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    de grote kastanje van de witte paardenkastanjeboom

    hetpaardrijdenzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    sport of recreatie waarbij men op een paard rijdt

    paarsbijvoeglijk naamwoord| Taalniveau: A1

    Met de kleur die ontstaat door rood en blauw te mengen

    hetpaasbroodzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    Speciaal zoet brood met rozijnen en amandelspijs dat gegeten wordt met Pasen

    depaasbrunchzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Uitgebreide maaltijd op Paaszondag of Eerste Paasdag tussen ontbijt en lunch in

    depaasdagzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    een van de twee officiële feestdagen van Pasen: Eerste Paasdag (zondag) of Tweede Paasdag (maandag)

    depaasdagenzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    de twee officiële feestdagen van Pasen: Eerste Paasdag en Tweede Paasdag samen

    depaasdecoratiezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    Versieringen die worden gebruikt om huis, tafel of ruimte feestelijk te maken met Pasen

    dePaasdienstzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Kerkdienst op Eerste of Tweede Paasdag waarbij de opstanding van Jezus Christus centraal staat

    hetpaaseizelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    Ei van chocola, of een hardgekookt ei dat beschilderd is, uitgedeeld of verstopt met Pasen

    hetpaaseitjezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A1

    klein gekleurd of chocolade eitje uitgedeeld met Pasen

    hetpaasfeestzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    De viering van Pasen; ook gebruikt als synoniem voor Pasen zelf

    depaashaaszelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    Denkbeeldig haas die met Pasen eieren en snoep verstopt voor kinderen

    depaaskaarszelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Grote witte kaars die in de katholieke en protestantse kerk wordt aangestoken tijdens de Paaswake als symbool voor het licht van Christus

    hetpaaskonijnzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A1

    het konijn als symbool van Pasen dat eieren versopt

    hetpaaslamzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Lam als christelijk symbool voor Pasen, verwijzend naar Jezus als 'Lam Gods'; ook een paasgebak in de vorm van een lam

    depaaslunchzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    feestelijke lunch op eerste paasdag

    dePaasmaandagzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    De maandag na Paaszondag; in Nederland ook bekend als Tweede Paasdag

    depaasmandzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    mandje met paaseitjes en snoep voor kinderen

    hetpaasmandjezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    Klein mandje gevuld met chocolade paaseieren en snoep, gegeven aan kinderen met Pasen

    hetpaasontbijtzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    Uitgebreid ontbijt dat gegeten wordt op Eerste of Tweede Paasdag

    depaasoptochtzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Stoet of processie die door een dorp of stad trekt als onderdeel van de paasviering

    depaasprocessiezelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    Religieuze stoet die met Pasen door de straten trekt, veelal in katholieke gemeenschappen

    hetpaasspelzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Toneelstuk of spel dat het paasverhaal uitbeeldt, vaak opgevoerd door kinderen op school of in de kerk

    depaastafelzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Feestelijk gedekte tafel of eettafel met paasversiering en paaseten

    depaastakzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Versierde boomtak die met Pasen in huis wordt gezet als decoratie, vaak met gekleurde eieren en kleine figuurtjes

    depaasvakantiezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    Schoolvakantie rond de periode van Pasen, meestal twee weken in het voorjaar

    hetpaasverhaalzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Verhaal over Pasen, de opstanding van Jezus of de paastradities; ook gebruikt in onderwijs voor kinderen

    depaasvieringzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Het geheel van activiteiten en tradities waarmee Pasen wordt gevierd

    hetpaasvuurzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Groot kampvuur dat in sommige regio's van Nederland wordt ontstoken in de nacht van Stille Zaterdag op Eerste Paasdag als oud paastraditie

    dePaaswakezelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    Religieuze nacht- of avondviering in de nacht van Stille Zaterdag op Eerste Paasdag, als begin van de paasviering in de kerk

    hetpaasweekendzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    het weekend rond Pasen, van Goede Vrijdag tot en met Tweede Paasdag

    dePaaszondagzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    De zondag waarop Pasen valt; de dag waarop de opstanding van Jezus Christus wordt gevierd

    depacemakerzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    klein apparaatje dat via elektrische impulsen de hartslag reguleert

    hetpachinkozelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    Japans flipperkastspel waarbij kleine stalen balletjes worden gebruikt als recreatie of kansspel

    depachtzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    overeenkomst waarbij iemand grond of gebouwen van een eigenaar huurt om te gebruiken, doorgaans voor landbouw

    hetpacifismezelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    de overtuiging dat oorlog en geweld nooit rechtvaardig zijn en afgewezen moeten worden

    depadzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    drooglandamfibie die op een dikke kikker lijkt

    hetpadzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2(2)

    smal, onverhard wandelpad of spoor door natuur of tuin

    depaddenstoelzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    zwam met een hoed en steel die groeit op de bodem of op hout

    hetpadelzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    een racketsport gespeeld op een afgesloten baan met glazen wanden, mix van tennis en squash

    hetpadeltenniszelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    een racketspel dat lijkt op tennis, gespeeld in een afgesloten baan

    hetpadjezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    een smal weggetje of pad door een tuin, park of bos

    depadvinderzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    lid van een scoutingorganisatie

    hetpakzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    Formeel kostuum bestaande uit een jasje en een broek van hetzelfde materiaal

    dePakistaanzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    iemand afkomstig uit Pakistan

    hetPakistanzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    een land in Zuid-Azie grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China

    hetpakjezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A1

    kleine verpakking of doos; ook: een pakket dat per post wordt verstuurd

    Pagina 1 van 14