Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen

    Woorden met V

    vaagbijvoeglijk naamwoord| Taalniveau: B1

    niet nauwkeurig omschreven of zichtbaar; onduidelijk van omtrek of inhoud

    vaakbijwoord| Taalniveau: A1

    Meerdere keren regelmatig

    devaardigheidzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    een bekwaamheid of techniek die men door oefening heeft verworven

    devaartzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    een gegraven kanaal voor scheepvaart of waterafvoer

    hetvaartuigzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    een voertuig dat over water gaat

    devaaszelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    sierlijk voorwerp om bloemen in te zetten

    devaatborstelzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    een borstel om vaat mee te wassen

    hetvaatdoekzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    doek voor het afwassen van vaat

    devaatwasmachinezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    machine die vaat automatisch schoonmaakt

    devaatwasserzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    apparaat dat vaat afwast

    devacaturezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    openstaande functie of betrekking bij een organisatie

    devacaturetekstzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    geschreven tekst die een openstaande functie beschrijft

    hetvaccinzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    injectie die beschermt tegen een ziekte

    devaccinatiezelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    het toedienen van een vaccin ter bescherming tegen een ziekte

    vaccinerenwerkwoord| Taalniveau: B1

    een vaccin toedienen ter bescherming tegen een ziekte

    devaderzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A1

    De mannelijke ouder van een kind

    devader-kindrelatiezelfstandig naamwoord| Taalniveau: C1

    de speciale band tussen vader en kind

    hetvaderskindjezelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    kind dat bijzonder gehecht is aan de vader

    hetvakzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A1

    schoolonderwerp dat als apart onderdeel van het lesprogramma wordt onderwezen

    hetvakzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2(2)

    afgebakend compartiment of vakje, zoals in een kast, lade of plank

    hetvakzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1(3)

    beroep of ambacht waarbij specifieke kennis en vaardigheden vereist zijn

    devakantiezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A1

    vrije periode van school of werk

    devakantiedagenzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    het aantal betaalde vrije dagen dat een werknemer jaarlijks heeft

    devakantieperiodezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    periode van meerdere weken vrij van school

    devakantietoeslagzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    extra loon dat jaarlijks voor vakantie wordt uitbetaald

    devakbekwaamheidzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    de mate van kennis en vaardigheid die iemand heeft in zijn beroep

    devakbondzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    organisatie die belangen van werknemers behartigt

    devakdocentzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    docent gespecialiseerd in één vakgebied

    devakgenootzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    iemand die hetzelfde beroep uitoefent als een ander

    hetvakjezelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    een klein afgebakend deel of ruimte in een groter geheel

    hetvakkenpakketzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    combinatie van vakken die een leerling volgt

    devakkrachtzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    iemand die over specifieke beroepsvaardigheden beschikt

    vakkundigbijvoeglijk naamwoord| Taalniveau: B1

    deskundig en bekwaam in een bepaald vakgebied

    devakmanzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    iemand die een vak met hoge bekwaamheid en vakkennis uitoefent

    hetvakmanschapzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    de hoge mate van vaardigheid en kennis die iemand toont in zijn beroep of ambacht

    hetvakoverstijgendzelfstandig naamwoord| Taalniveau: C1

    thema dat meerdere vakken overstijgt

    hetvakoverstijgend projectzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    project waarbij meerdere vakken gecombineerd worden

    devakscholingzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    opleiding gericht op een specifiek vak of beroep

    devakschoolzelfstandig naamwoord| Taalniveau: A2

    school voor beroepsgerichte opleidingen

    devaktaalzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    taal met specifieke terminologie die door specialisten in een vakgebied wordt gebruikt

    devalidatiezelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    het proces waarbij de prestaties van een AI-model worden getoetst op een aparte dataset die niet gebruikt werd voor training

    validerenwerkwoord| Taalniveau: C1

    de juistheid, kwaliteit of geldigheid van iets bevestigen of toetsen

    devalleizelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    breed dal gevormd door een rivier of gletsjer

    vallenwerkwoord| Taalniveau: A1

    naar beneden komen door de zwaartekracht, soms per ongeluk

    vallenwerkwoord| Taalniveau: B1(2)

    in een bepaalde categorie of bevoegdheid thuishoren

    vallenwerkwoord| Taalniveau: B2(3)

    niet te verwijten zijn aan iemand; iemand niet aangerekend kunnen worden

    devalpreventiezelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    maatregelen om vallen van ouderen te voorkomen

    devalse aangiftezelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    het bij de politie melden van een niet bestaande of verzonnen misdaad

    devalse startzelfstandig naamwoord| Taalniveau: B1

    overtreding waarbij een coureur te vroeg wegrijdt bij de start, vóór het doofgaan van de startlichten; leidt tot een tijdstraf

    devalutazelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2

    het officieel erkende betaalmiddel van een land of economische zone, gebruikt in internationale handel

    Pagina 1 van 15