Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    uitbreken

    werkwoord | Taalniveau: B1

    plotseling beginnen (vooral van onweer); losbreken

    Voorbeeldzinnen met het woord uitbreken

    • "Een hevige storm brak uit boven de stad."
    • "Er brak onweer uit zonder waarschuwing."

    Idiomen

    • • er is brand uitgebroken
    • • een storm is uitgebroken

    Vervoeging van uitbreken

    Ik (nu) ik breek uit
    Hij/zij (nu) hij breekt uit
    Wij (nu) wij breken uit
    Verleden tijd het brak uit
    Voltooid deelw. uitgebroken
    Hulpwerkwoord zijn

    Veelgestelde vragen over uitbreken

    Wat betekent uitbreken?
    plotseling beginnen (vooral van onweer); losbreken
    Op welk taalniveau hoort uitbreken?
    Het woord uitbreken hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Hoe vervoeg je uitbreken in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je uitbreken als volgt: ik ik breek uit, hij/zij hij breekt uit, wij wij breken uit.
    Wat is de verleden tijd van uitbreken?
    De verleden tijd (enkelvoud) van uitbreken is: het brak uit.
    Wat is het voltooid deelwoord van uitbreken?
    Het voltooid deelwoord van uitbreken is: uitgebroken.
    Gebruik je hebben of zijn bij uitbreken?
    Bij uitbreken gebruik je het hulpwerkwoord "zijn".

    Delen

    Bladeren op letter