Was dit nuttig?
sporten
werkwoord | Taalniveau: A1
actief deelnemen aan een sport of lichamelijke beweging
Voorbeeldzinnen met het woord sporten
- "Ze sport drie keer per week in de sportschool."
- "Sporten is goed voor zowel je lichaam als je geest."
Idiomen
- • Aan sport doen
Vervoeging van sporten
| Ik (nu) | sport |
| Hij/zij (nu) | sport |
| Wij (nu) | sporten |
| Verleden tijd | sportte |
| Voltooid deelw. | gesport |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over sporten
- Wat betekent sporten?
- actief deelnemen aan een sport of lichamelijke beweging
- Op welk taalniveau hoort sporten?
- Het woord sporten hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van sporten?
- Synoniemen van sporten zijn: bewegen, trainen, oefenen.
- Hoe vervoeg je sporten in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je sporten als volgt: ik sport, hij/zij sport, wij sporten.
- Wat is de verleden tijd van sporten?
- De verleden tijd (enkelvoud) van sporten is: sportte.
- Wat is het voltooid deelwoord van sporten?
- Het voltooid deelwoord van sporten is: gesport.
- Gebruik je hebben of zijn bij sporten?
- Bij sporten gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij sporten
kamperen
werkwoord
buiten overnachten in een tent of camper
hardlopen
werkwoord
snel lopen als sport of training
dedegen
zelfstandig naamwoord
een smal, puntig zwaard gebruikt bij de schermkampioenschapp…
dewedstrijd
zelfstandig naamwoord
georganiseerde competitie waarbij deelnemers strijden om de …
hetwielrennen
zelfstandig naamwoord
competitief fietsen op weg of parcours
deestafette
zelfstandig naamwoord
wedstrijd waarbij een team van meerdere atleten om beurt ren…