Was dit nuttig?
oefenen
werkwoord | Taalniveau: A1
herhaaldelijk iets doen om beter te worden
Voorbeeldzinnen met het woord oefenen
- "Ze oefent elke dag woordjes voor de toets."
- "Door veel te oefenen leer je sneller rekenen."
Idiomen
- • oefening baart kunst
Vervoeging van oefenen
| Ik (nu) | oefen |
| Hij/zij (nu) | oefent |
| Wij (nu) | oefenen |
| Verleden tijd | oefende |
| Voltooid deelw. | geoefend |
| Hulpwerkwoord | heeft |
Veelgestelde vragen over oefenen
- Wat betekent oefenen?
- herhaaldelijk iets doen om beter te worden
- Op welk taalniveau hoort oefenen?
- Het woord oefenen hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van oefenen?
- Synoniemen van oefenen zijn: trainen, inoefenen.
- Hoe vervoeg je oefenen in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je oefenen als volgt: ik oefen, hij/zij oefent, wij oefenen.
- Wat is de verleden tijd van oefenen?
- De verleden tijd (enkelvoud) van oefenen is: oefende.
- Wat is het voltooid deelwoord van oefenen?
- Het voltooid deelwoord van oefenen is: geoefend.
- Gebruik je hebben of zijn bij oefenen?
- Bij oefenen gebruik je het hulpwerkwoord "heeft".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij oefenen
detekst
zelfstandig naamwoord
een reeks geschreven of gesproken woorden met een boodschap
devraag
zelfstandig naamwoord
een zin of uiting waarmee je om informatie vraagt
devrijstelling
zelfstandig naamwoord
ontheffing van de plicht om een les of vak te volgen
deaandacht
zelfstandig naamwoord
de geestelijke aanwezigheid en focus op iets
hetomega
zelfstandig naamwoord
de laatste letter van het Griekse alfabet; symbool voor het …
kritisch
bijvoeglijk naamwoord
met een analyserende en vragende houding