Was dit nuttig?
gaan
werkwoord | Taalniveau: A1
1werkwoord| Taalniveau: A1
zich verplaatsen naar een andere plek; ook als hulpwerkwoord voor de nabije toekomst
Voorbeeldzinnen met het woord gaan
- "Hij gaat elke ochtend naar zijn werk."
- "We gaan volgende week op vakantie."
Synoniemen van gaan
Idiomen
- • Ergens voor gaan
- • Het gaat goed
- • Zo gaat het leven
2werkwoord| Taalniveau: A1
vertrekken of weggaan van een plek
Voorbeeldzinnen met het woord gaan
- "Het is al laat, ik moet echt gaan anders mis ik mijn trein."
- "Ze zei gedag en ging zonder nog om te kijken."
Idiomen
- • Ergens voor gaan
- • Het gaat goed
- • Zo gaat het leven
3werkwoord| Taalniveau: A1
gebruikt als vraag of uitdrukking over iemands welzijn of situatie
Voorbeeldzinnen met het woord gaan
- "Hoe gaat het met je? — Prima, dankjewel!"
- "Het gaat goed met de zaak: de omzet is dit kwartaal verdubbeld."
Idiomen
- • Ergens voor gaan
- • Het gaat goed
- • Zo gaat het leven
Vervoeging van gaan
| Ik (nu) | ga |
| Hij/zij (nu) | gaat |
| Wij (nu) | gaan |
| Verleden tijd | ging |
| Voltooid deelw. | gegaan |
| Hulpwerkwoord | zijn |
Veelgestelde vragen over gaan
- Wat betekent gaan?
- zich verplaatsen naar een andere plek; ook als hulpwerkwoord voor de nabije toekomst
- Op welk taalniveau hoort gaan?
- Het woord gaan hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van gaan?
- Synoniemen van gaan zijn: vertrekken, zich begeven naar.
- Hoe vervoeg je gaan in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je gaan als volgt: ik ga, hij/zij gaat, wij gaan.
- Wat is de verleden tijd van gaan?
- De verleden tijd (enkelvoud) van gaan is: ging.
- Wat is het voltooid deelwoord van gaan?
- Het voltooid deelwoord van gaan is: gegaan.
- Gebruik je hebben of zijn bij gaan?
- Bij gaan gebruik je het hulpwerkwoord "zijn".
Gerelateerde woorden bij gaan
hebben
werkwoord
bezitten of in het bezit zijn van iets
zijn
werkwoord
bestaan of zich in een bepaalde toestand bevinden
zien
werkwoord
iets waarnemen met de ogen
geven
werkwoord
iets overdragen aan iemand anders
worden
werkwoord
veranderen in iets nieuws of een andere toestand bereiken
brengen
werkwoord
iets of iemand van de ene naar de andere plek verplaatsen