Was dit nuttig?
bouwen
werkwoord | Taalniveau: A1
iets construeren of opbouwen
Voorbeeldzinnen met het woord bouwen
- "Ze bouwen een nieuw huis."
- "Hij bouwde een boomhut voor de kinderen."
Synoniemen van bouwen
Idiomen
- • op zand bouwen
- • bruggen bouwen
Vervoeging van bouwen
| Ik (nu) | bouw |
| Hij/zij (nu) | bouwt |
| Wij (nu) | bouwen |
| Verleden tijd | bouwde |
| Voltooid deelw. | gebouwd |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over bouwen
- Wat betekent bouwen?
- iets construeren of opbouwen
- Op welk taalniveau hoort bouwen?
- Het woord bouwen hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van bouwen?
- Synoniemen van bouwen zijn: timmeren, construeren, optrekken.
- Hoe vervoeg je bouwen in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je bouwen als volgt: ik bouw, hij/zij bouwt, wij bouwen.
- Wat is de verleden tijd van bouwen?
- De verleden tijd (enkelvoud) van bouwen is: bouwde.
- Wat is het voltooid deelwoord van bouwen?
- Het voltooid deelwoord van bouwen is: gebouwd.
- Gebruik je hebben of zijn bij bouwen?
- Bij bouwen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij bouwen
lopen
werkwoord
Je voeten gebruiken om je voort te bewegen
slapen
werkwoord
Je ogen dicht doen en rusten meestal in bed
wandelen
werkwoord
Rustig lopen voor ontspanning.
deels
bijwoord
voor een gedeelte; niet volledig maar ook niet geheel afwezi…
deklomp
zelfstandig naamwoord
een schoen gemaakt van hout, traditioneel in Nederland
hetteken
zelfstandig naamwoord
iets wat wijst op of verwijst naar iets anders