Was dit nuttig?
debouwer
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: B1
iemand die iets bouwt of construeert
Voorbeeldzinnen met het woord bouwer
- "De bouwer leverde het huis op tijd."
- "Hij werkt als bouwer in de bouw."
Synoniemen van bouwer
Veelgestelde vragen over bouwer
- Wat betekent bouwer?
- iemand die iets bouwt of construeert
- Op welk taalniveau hoort bouwer?
- Het woord bouwer hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van bouwer?
- Synoniemen van bouwer zijn: aannemer, constructeur.
- Is bouwer een de-woord of het-woord?
- Bouwer is een de-woord: de bouwer.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij bouwer
deklomp
zelfstandig naamwoord
een schoen gemaakt van hout, traditioneel in Nederland
hetteken
zelfstandig naamwoord
iets wat wijst op of verwijst naar iets anders
deduidelijkheid
zelfstandig naamwoord
de eigenschap van iets wat helder en begrijpelijk is
dedreun
zelfstandig naamwoord
een harde, zware klap of een eentonig, bonkend geluid
hettijdstip
zelfstandig naamwoord
een bepaald moment op de dag
dedwerg
zelfstandig naamwoord
een buitengewoon klein menselijk wezen; ook: een fantasiewez…
Gerelateerde taaltips
Yankee: een Nederlands woord dat de wereld veroverde
Hoe Jan en Kees de naam gaven aan een heel volk
Kennen of weten: wat is het verschil?
Twee werkwoorden, één vertaling — leer wanneer je welk gebruikt
Voorkomen of verkomen? Zo gebruik je het goed
Leer de 3 betekenissen van voorkomen + een handig ezelsbruggetje