Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    debouwer

    zelfstandig naamwoord | Taalniveau: B1

    iemand die iets bouwt of construeert

    Voorbeeldzinnen met het woord bouwer

    • "De bouwer leverde het huis op tijd."
    • "Hij werkt als bouwer in de bouw."

    Synoniemen van bouwer

    Veelgestelde vragen over bouwer

    Wat betekent bouwer?
    iemand die iets bouwt of construeert
    Op welk taalniveau hoort bouwer?
    Het woord bouwer hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van bouwer?
    Synoniemen van bouwer zijn: aannemer, constructeur.
    Is bouwer een de-woord of het-woord?
    Bouwer is een de-woord: de bouwer.

    Delen

    Bladeren op letter