hetvastgoed
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: B1
onroerende goederen zoals huizen, gebouwen en grond
Voorbeeldzinnen met het woord vastgoed
- "Hij investeerde een groot deel van zijn vermogen in vastgoed in Berlijn."
- "De waarde van vastgoed is in tien jaar tijd verdubbeld."
- "Een vastgoedbelegger spreidt risicos vaak over verschillende steden en typen panden."
- "Bij vastgoed transacties komt veel papierwerk en notariskosten kijken."
- "In sommige steden is vastgoed onbetaalbaar geworden voor jonge starters."
Synoniemen van vastgoed
Idiomen
- • zwaar in het vastgoed zitten (een groot deel van zijn vermogen in onroerend goed hebben)
Waar komt het woord vastgoed vandaan?
Vastgoed is een Nederlandse samenstelling van vast (uit het Germaanse fastuz, stevig of bevestigd) en goed (uit het Oudnederlandse god, eigendom of bezit). Het woord drukt het juridische onderscheid uit tussen onroerende en roerende zaken. In het Nederlands is vastgoed sinds de twintigste eeuw gangbaar in de vakliteratuur en alledaagse spraak.
Veelgestelde vragen over vastgoed
- Wat betekent vastgoed?
- onroerende goederen zoals huizen, gebouwen en grond
- Op welk taalniveau hoort vastgoed?
- Het woord vastgoed hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van vastgoed?
- Synoniemen van vastgoed zijn: onroerend goed.
- Is vastgoed een de-woord of het-woord?
- Vastgoed is een het-woord: het vastgoed.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij vastgoed
de verhouding tussen de behaalde winst en het ingezette verm…
het invoeren van goederen of diensten vanuit het buitenland
het kopen en verkopen van goederen of diensten als economisc…
het rivaliserend streven van bedrijven of personen naar deze…
een situatie waarin een enkel bedrijf of persoon de gehele m…
de verhouding waartegen een valuta wordt uitgewisseld voor e…
Gerelateerde taaltips
Yankee: een Nederlands woord dat de wereld veroverde
Hoe Jan en Kees de naam gaven aan een heel volk
Kennen of weten: wat is het verschil?
Twee werkwoorden, één vertaling — leer wanneer je welk gebruikt
Voorkomen of verkomen? Zo gebruik je het goed
Leer de 3 betekenissen van voorkomen + een handig ezelsbruggetje