Was dit nuttig?
hetseizoen
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A1
Een van de vier periodes van het jaar met elk een eigen klimaat: lente, zomer, herfst en winter
Voorbeeldzinnen met het woord seizoen
- "Wat is jouw lievelingsseizoen?"
- "Elk seizoen heeft zijn eigen schoonheid."
- "In welk seizoen ben jij geboren?"
Synoniemen van seizoen
Idiomen
- • Met de seizoenen meeleven.
- • Ieder seizoen heeft zijn charme.
Veelgestelde vragen over seizoen
- Wat betekent seizoen?
- Een van de vier periodes van het jaar met elk een eigen klimaat: lente, zomer, herfst en winter
- Op welk taalniveau hoort seizoen?
- Het woord seizoen hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van seizoen?
- Synoniemen van seizoen zijn: jaargetijde, periode.
- Is seizoen een de-woord of het-woord?
- Seizoen is een het-woord: het seizoen.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij seizoen
deherfst
zelfstandig naamwoord
Het seizoen na de zomer, van september tot december, wanneer…
dezomer
zelfstandig naamwoord
Het warmste seizoen van het jaar, van juni tot september
dewinter
zelfstandig naamwoord
Het koudste seizoen van het jaar, van december tot maart
delente
zelfstandig naamwoord
Het seizoen na de winter, van maart tot juni, wanneer de nat…