Was dit nuttig?
naamgeven
werkwoord | Taalniveau: B1
een naam aan een kind geven
Voorbeeldzinnen met het woord naamgeven
- "Ze gaven hun baby de naam Emma."
- "Hij noemde zijn kind naar zijn vader."
Idiomen
- • een naam geven aan het kind
Vervoeging van naamgeven
| Ik (nu) | geef naam |
| Hij/zij (nu) | geeft naam |
| Wij (nu) | geven naam |
| Verleden tijd | gaf naam |
| Voltooid deelw. | naam gegeven |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over naamgeven
- Wat betekent naamgeven?
- een naam aan een kind geven
- Op welk taalniveau hoort naamgeven?
- Het woord naamgeven hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Hoe vervoeg je naamgeven in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je naamgeven als volgt: ik geef naam, hij/zij geeft naam, wij geven naam.
- Wat is de verleden tijd van naamgeven?
- De verleden tijd (enkelvoud) van naamgeven is: gaf naam.
- Wat is het voltooid deelwoord van naamgeven?
- Het voltooid deelwoord van naamgeven is: naam gegeven.
- Gebruik je hebben of zijn bij naamgeven?
- Bij naamgeven gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij naamgeven
hetkind
zelfstandig naamwoord
Jong persoon; ook: de zoon of dochter van iemand
deoma
zelfstandig naamwoord
De moeder van je vader of moeder; grootmoeder
detante
zelfstandig naamwoord
De zus van je vader of moeder
debaby
zelfstandig naamwoord
Heel jong kind dat nog niet kan lopen of praten
degrootmoeder
zelfstandig naamwoord
moeder van je vader of moeder
hetgezin
zelfstandig naamwoord
Een groep van ouders en kinderen die samen wonen
Gerelateerde taaltips
Yankee: een Nederlands woord dat de wereld veroverde
Hoe Jan en Kees de naam gaven aan een heel volk
Kennen of weten: wat is het verschil?
Twee werkwoorden, één vertaling — leer wanneer je welk gebruikt
Voorkomen of verkomen? Zo gebruik je het goed
Leer de 3 betekenissen van voorkomen + een handig ezelsbruggetje