Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    juichen

    werkwoord | Taalniveau: A2

    luid vreugde uiten bij een overwinning of positief nieuws

    Voorbeeldzinnen met het woord juichen

    • "De fans juichten luid toen hun team in de laatste minuut de gelijkmaker scoorde."
    • "Na de bekendmaking van de winst juichte het hele kantoor van vreugde."

    Synoniemen van juichen

    Idiomen

    • • te vroeg juichen (te snel vieren voordat iets definitief is beslist)

    Vervoeging van juichen

    Ik (nu) juich
    Hij/zij (nu) juicht
    Wij (nu) juichen
    Verleden tijd juichte
    Voltooid deelw. gejuicht
    Hulpwerkwoord heeft

    Veelgestelde vragen over juichen

    Wat betekent juichen?
    luid vreugde uiten bij een overwinning of positief nieuws
    Op welk taalniveau hoort juichen?
    Het woord juichen hoort bij taalniveau A2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van juichen?
    Synoniemen van juichen zijn: schreeuwen, vieren, uitbundig reageren.
    Hoe vervoeg je juichen in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je juichen als volgt: ik juich, hij/zij juicht, wij juichen.
    Wat is de verleden tijd van juichen?
    De verleden tijd (enkelvoud) van juichen is: juichte.
    Wat is het voltooid deelwoord van juichen?
    Het voltooid deelwoord van juichen is: gejuicht.
    Gebruik je hebben of zijn bij juichen?
    Bij juichen gebruik je het hulpwerkwoord "heeft".

    Delen

    Bladeren op letter