Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    fietsen

    werkwoord | Taalniveau: A1

    rijden op een fiets als sport, vervoer of voor het plezier

    Voorbeeldzinnen met het woord fietsen

    • "Hij fietst elke dag naar zijn werk."
    • "In het weekend fietsen ze door de bossen."

    Synoniemen van fietsen

    Idiomen

    • • Op de fiets door het leven
    • • Hij kan lopen

    Vervoeging van fietsen

    Ik (nu) fiets
    Hij/zij (nu) fietst
    Wij (nu) fietsen
    Verleden tijd fietste
    Voltooid deelw. gefietst
    Hulpwerkwoord hebben / zijn

    Veelgestelde vragen over fietsen

    Wat betekent fietsen?
    rijden op een fiets als sport, vervoer of voor het plezier
    Op welk taalniveau hoort fietsen?
    Het woord fietsen hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van fietsen?
    Synoniemen van fietsen zijn: wielrennen (wedstrijdvorm).
    Hoe vervoeg je fietsen in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je fietsen als volgt: ik fiets, hij/zij fietst, wij fietsen.
    Wat is de verleden tijd van fietsen?
    De verleden tijd (enkelvoud) van fietsen is: fietste.
    Wat is het voltooid deelwoord van fietsen?
    Het voltooid deelwoord van fietsen is: gefietst.
    Gebruik je hebben of zijn bij fietsen?
    Bij fietsen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben / zijn".

    Delen

    Bladeren op letter