Was dit nuttig?
hetechtpaar
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: B1
twee getrouwde personen
Voorbeeldzinnen met het woord echtpaar
- "Het echtpaar woont al veertig jaar samen."
- "Ze zijn een harmonieus echtpaar."
Synoniemen van echtpaar
Veelgestelde vragen over echtpaar
- Wat betekent echtpaar?
- twee getrouwde personen
- Op welk taalniveau hoort echtpaar?
- Het woord echtpaar hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van echtpaar?
- Synoniemen van echtpaar zijn: huwelijkspaar.
- Is echtpaar een de-woord of het-woord?
- Echtpaar is een het-woord: het echtpaar.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij echtpaar
hetkind
zelfstandig naamwoord
Jong persoon; ook: de zoon of dochter van iemand
deoma
zelfstandig naamwoord
De moeder van je vader of moeder; grootmoeder
detante
zelfstandig naamwoord
De zus van je vader of moeder
debaby
zelfstandig naamwoord
Heel jong kind dat nog niet kan lopen of praten
degrootmoeder
zelfstandig naamwoord
moeder van je vader of moeder
hetgezin
zelfstandig naamwoord
Een groep van ouders en kinderen die samen wonen
Gerelateerde taaltips
Yankee: een Nederlands woord dat de wereld veroverde
Hoe Jan en Kees de naam gaven aan een heel volk
Kennen of weten: wat is het verschil?
Twee werkwoorden, één vertaling — leer wanneer je welk gebruikt
Voorkomen of verkomen? Zo gebruik je het goed
Leer de 3 betekenissen van voorkomen + een handig ezelsbruggetje