Was dit nuttig?
aankleden
werkwoord | Taalniveau: A1
kleren aantrekken, zich aankleden
Voorbeeldzinnen met het woord aankleden
- "Ze kleedt zich aan na het douchen."
- "De kinderen kleden zich zelf aan."
Synoniemen van aankleden
Idiomen
- • Zich van top tot teen aankleden
- • Gekleed voor de gelegenheid
Vervoeging van aankleden
| Ik (nu) | kleed aan |
| Hij/zij (nu) | kleedt aan |
| Wij (nu) | kleden aan |
| Verleden tijd | kleedde aan |
| Voltooid deelw. | aangekleed |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over aankleden
- Wat betekent aankleden?
- kleren aantrekken, zich aankleden
- Op welk taalniveau hoort aankleden?
- Het woord aankleden hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van aankleden?
- Synoniemen van aankleden zijn: zich aankleden, kleden.
- Hoe vervoeg je aankleden in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je aankleden als volgt: ik kleed aan, hij/zij kleedt aan, wij kleden aan.
- Wat is de verleden tijd van aankleden?
- De verleden tijd (enkelvoud) van aankleden is: kleedde aan.
- Wat is het voltooid deelwoord van aankleden?
- Het voltooid deelwoord van aankleden is: aangekleed.
- Gebruik je hebben of zijn bij aankleden?
- Bij aankleden gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij aankleden
lopen
werkwoord
Je voeten gebruiken om je voort te bewegen
slapen
werkwoord
Je ogen dicht doen en rusten meestal in bed
wandelen
werkwoord
Rustig lopen voor ontspanning.
deels
bijwoord
voor een gedeelte; niet volledig maar ook niet geheel afwezi…
deklomp
zelfstandig naamwoord
een schoen gemaakt van hout, traditioneel in Nederland
hetteken
zelfstandig naamwoord
iets wat wijst op of verwijst naar iets anders