Was dit nuttig?
aanbreken
werkwoord | Taalniveau: B1
beginnen; aanvangen; het eerste licht van de dag verschijnen
Voorbeeldzinnen met het woord aanbreken
- "De dag brak aan met een prachtige zonsopgang."
- "Zodra de nacht aanbreekt, wordt de stad verlicht door straatlantaarns."
Idiomen
- • een nieuw tijdperk breekt aan (een nieuwe fase begint)
Vervoeging van aanbreken
| Ik (nu) | ik breek aan |
| Hij/zij (nu) | hij breekt aan |
| Wij (nu) | wij breken aan |
| Verleden tijd | brak aan |
| Voltooid deelw. | aangebroken |
| Hulpwerkwoord | zijn |
Veelgestelde vragen over aanbreken
- Wat betekent aanbreken?
- beginnen; aanvangen; het eerste licht van de dag verschijnen
- Op welk taalniveau hoort aanbreken?
- Het woord aanbreken hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van aanbreken?
- Synoniemen van aanbreken zijn: beginnen, starten, aanvangen.
- Hoe vervoeg je aanbreken in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je aanbreken als volgt: ik ik breek aan, hij/zij hij breekt aan, wij wij breken aan.
- Wat is de verleden tijd van aanbreken?
- De verleden tijd (enkelvoud) van aanbreken is: brak aan.
- Wat is het voltooid deelwoord van aanbreken?
- Het voltooid deelwoord van aanbreken is: aangebroken.
- Gebruik je hebben of zijn bij aanbreken?
- Bij aanbreken gebruik je het hulpwerkwoord "zijn".