Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    zoomen

    werkwoord | Taalniveau: B1

    vergaderen via het Zoom-videoplatform

    Voorbeeldzinnen met het woord zoomen

    • "Ze zoomden elke maandag voor het teamoverleg."
    • "Hij zoomde met zijn familie in het buitenland."

    Idiomen

    • • inzoomen op details
    • • uitzoomen voor een overzicht

    Vervoeging van zoomen

    Ik (nu) ik zoom
    Hij/zij (nu) hij zoomt
    Wij (nu) wij zoomen
    Verleden tijd zoomde
    Voltooid deelw. gezoomd
    Hulpwerkwoord hebben

    Veelgestelde vragen over zoomen

    Wat betekent zoomen?
    vergaderen via het Zoom-videoplatform
    Op welk taalniveau hoort zoomen?
    Het woord zoomen hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Hoe vervoeg je zoomen in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je zoomen als volgt: ik ik zoom, hij/zij hij zoomt, wij wij zoomen.
    Wat is de verleden tijd van zoomen?
    De verleden tijd (enkelvoud) van zoomen is: zoomde.
    Wat is het voltooid deelwoord van zoomen?
    Het voltooid deelwoord van zoomen is: gezoomd.
    Gebruik je hebben of zijn bij zoomen?
    Bij zoomen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".

    Delen

    Bladeren op letter