Was dit nuttig?
uittrekken
werkwoord | Taalniveau: A1
kleding of schoenen verwijderen van het lichaam
Voorbeeldzinnen met het woord uittrekken
- "Ze trok haar schoenen uit bij de deur."
- "Hij trok zijn jas uit in de hal."
Idiomen
- • Er een been voor uittrekken
Vervoeging van uittrekken
| Ik (nu) | ik trek uit |
| Hij/zij (nu) | hij trekt uit |
| Wij (nu) | wij trekken uit |
| Verleden tijd | trok uit |
| Voltooid deelw. | uitgetrokken |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over uittrekken
- Wat betekent uittrekken?
- kleding of schoenen verwijderen van het lichaam
- Op welk taalniveau hoort uittrekken?
- Het woord uittrekken hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van uittrekken?
- Synoniemen van uittrekken zijn: uitdoen, afdoen.
- Hoe vervoeg je uittrekken in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je uittrekken als volgt: ik ik trek uit, hij/zij hij trekt uit, wij wij trekken uit.
- Wat is de verleden tijd van uittrekken?
- De verleden tijd (enkelvoud) van uittrekken is: trok uit.
- Wat is het voltooid deelwoord van uittrekken?
- Het voltooid deelwoord van uittrekken is: uitgetrokken.
- Gebruik je hebben of zijn bij uittrekken?
- Bij uittrekken gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij uittrekken
lopen
werkwoord
Je voeten gebruiken om je voort te bewegen
slapen
werkwoord
Je ogen dicht doen en rusten meestal in bed
wandelen
werkwoord
Rustig lopen voor ontspanning.
deels
bijwoord
voor een gedeelte; niet volledig maar ook niet geheel afwezi…
deklomp
zelfstandig naamwoord
een schoen gemaakt van hout, traditioneel in Nederland
hetteken
zelfstandig naamwoord
iets wat wijst op of verwijst naar iets anders