Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    skiën

    werkwoord | Taalniveau: A2

    glijden op ski's over sneeuw

    Voorbeeldzinnen met het woord skiën

    • "Ze gaan skiën in de Alpen."
    • "Hij leert skiën voor het eerst."

    Synoniemen van skiën

    Idiomen

    • • Van de helling gaan

    Vervoeging van skiën

    Ik (nu) ski
    Hij/zij (nu) skiet
    Wij (nu) skiën
    Verleden tijd skiede
    Voltooid deelw. geskied
    Hulpwerkwoord hebben/zijn

    Veelgestelde vragen over skiën

    Wat betekent skiën?
    glijden op ski's over sneeuw
    Op welk taalniveau hoort skiën?
    Het woord skiën hoort bij taalniveau A2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van skiën?
    Synoniemen van skiën zijn: langlaufen.
    Hoe vervoeg je skiën in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je skiën als volgt: ik ski, hij/zij skiet, wij skiën.
    Wat is de verleden tijd van skiën?
    De verleden tijd (enkelvoud) van skiën is: skiede.
    Wat is het voltooid deelwoord van skiën?
    Het voltooid deelwoord van skiën is: geskied.
    Gebruik je hebben of zijn bij skiën?
    Bij skiën gebruik je het hulpwerkwoord "hebben/zijn".

    Delen

    Bladeren op letter