Was dit nuttig?
samenwonen
werkwoord | Taalniveau: A2
samen onder één dak wonen
Voorbeeldzinnen met het woord samenwonen
- "Ze wonen samen al drie jaar."
- "Ze besloten samen te gaan wonen."
Idiomen
- • onder hetzelfde dak wonen
Vervoeging van samenwonen
| Ik (nu) | woon samen |
| Hij/zij (nu) | woont samen |
| Wij (nu) | wonen samen |
| Verleden tijd | woonde samen |
| Voltooid deelw. | samengewoond |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over samenwonen
- Wat betekent samenwonen?
- samen onder één dak wonen
- Op welk taalniveau hoort samenwonen?
- Het woord samenwonen hoort bij taalniveau A2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Hoe vervoeg je samenwonen in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je samenwonen als volgt: ik woon samen, hij/zij woont samen, wij wonen samen.
- Wat is de verleden tijd van samenwonen?
- De verleden tijd (enkelvoud) van samenwonen is: woonde samen.
- Wat is het voltooid deelwoord van samenwonen?
- Het voltooid deelwoord van samenwonen is: samengewoond.
- Gebruik je hebben of zijn bij samenwonen?
- Bij samenwonen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij samenwonen
hetkind
zelfstandig naamwoord
Jong persoon; ook: de zoon of dochter van iemand
deoma
zelfstandig naamwoord
De moeder van je vader of moeder; grootmoeder
detante
zelfstandig naamwoord
De zus van je vader of moeder
debaby
zelfstandig naamwoord
Heel jong kind dat nog niet kan lopen of praten
degrootmoeder
zelfstandig naamwoord
moeder van je vader of moeder
hetgezin
zelfstandig naamwoord
Een groep van ouders en kinderen die samen wonen
Gerelateerde taaltips
Je kunt of je kan: wat is correct?
Beide vormen zijn goed, maar er is een belangrijk verschil
Me of mijn: wat is het verschil en wat is correct?
Twijfel je tussen ‘me’ en ‘mijn’? Zo gebruik je ze op de juiste manier.
100 basiswoorden Nederlands voor beginners
De belangrijkste woorden om te leren, per categorie met voorbeeldzinnen