Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    samenwonen

    werkwoord | Taalniveau: A2

    samen onder één dak wonen

    Voorbeeldzinnen met het woord samenwonen

    • "Ze wonen samen al drie jaar."
    • "Ze besloten samen te gaan wonen."

    Idiomen

    • • onder hetzelfde dak wonen

    Vervoeging van samenwonen

    Ik (nu) woon samen
    Hij/zij (nu) woont samen
    Wij (nu) wonen samen
    Verleden tijd woonde samen
    Voltooid deelw. samengewoond
    Hulpwerkwoord hebben

    Veelgestelde vragen over samenwonen

    Wat betekent samenwonen?
    samen onder één dak wonen
    Op welk taalniveau hoort samenwonen?
    Het woord samenwonen hoort bij taalniveau A2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Hoe vervoeg je samenwonen in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je samenwonen als volgt: ik woon samen, hij/zij woont samen, wij wonen samen.
    Wat is de verleden tijd van samenwonen?
    De verleden tijd (enkelvoud) van samenwonen is: woonde samen.
    Wat is het voltooid deelwoord van samenwonen?
    Het voltooid deelwoord van samenwonen is: samengewoond.
    Gebruik je hebben of zijn bij samenwonen?
    Bij samenwonen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".

    Delen

    Bladeren op letter