Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    dehuisdokter

    zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A1

    een arts die de eerste medische zorg voor een gezin of individu biedt

    Voorbeeldzinnen met het woord huisdokter

    • "Ze belde de huisdokter voor een spoedafspraak."
    • "In België zegt men vaak huisdokter in plaats van huisarts."

    Synoniemen van huisdokter

    Veelgestelde vragen over huisdokter

    Wat betekent huisdokter?
    een arts die de eerste medische zorg voor een gezin of individu biedt
    Op welk taalniveau hoort huisdokter?
    Het woord huisdokter hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van huisdokter?
    Synoniemen van huisdokter zijn: huisarts, huisgenees.
    Is huisdokter een de-woord of het-woord?
    Huisdokter is een de-woord: de huisdokter.

    Delen

    Bladeren op letter