Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    flamberen

    werkwoord | Taalniveau: B1

    Voedsel snel blootstellen aan vlammen met sterke drank

    Voorbeeldzinnen met het woord flamberen

    • "Flambeer het vlees voor smaak."
    • "Wij flamberen de zabaglione boven de tafel."

    Idiomen

    • • een dessert spectaculair flamberen

    Vervoeging van flamberen

    Ik (nu) ik flambeer
    Hij/zij (nu) hij/zij flambereert
    Wij (nu) wij flamberen
    Verleden tijd flambeede
    Voltooid deelw. geflambeeerd
    Hulpwerkwoord hebben

    Veelgestelde vragen over flamberen

    Wat betekent flamberen?
    Voedsel snel blootstellen aan vlammen met sterke drank
    Op welk taalniveau hoort flamberen?
    Het woord flamberen hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Hoe vervoeg je flamberen in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je flamberen als volgt: ik ik flambeer, hij/zij hij/zij flambereert, wij wij flamberen.
    Wat is de verleden tijd van flamberen?
    De verleden tijd (enkelvoud) van flamberen is: flambeede.
    Wat is het voltooid deelwoord van flamberen?
    Het voltooid deelwoord van flamberen is: geflambeeerd.
    Gebruik je hebben of zijn bij flamberen?
    Bij flamberen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".

    Delen

    Bladeren op letter