Was dit nuttig?
hetbadhuis
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: B1 | Verkleinwoord: het het badhuisje
openbare gelegenheid waar mensen kunnen baden of zwemmen
Voorbeeldzinnen met het woord badhuis
- "Voor de oorlog ging de hele wijk eens per week naar het badhuis."
- "Het oude badhuis is omgebouwd tot een museum over volksgezondheid."
- "In Belgie is in sommige steden een historisch badhuis nog actief in gebruik."
- "Het badhuis was van oudsher een sociale ontmoetingsplaats voor de buurt."
- "Voor toeristen is een Japans badhuis een fascinerende kennismaking met lokale gewoontes."
Synoniemen van badhuis
Idiomen
- • naar het badhuis gaan (oude uitdrukking voor zich grondig wassen, vooral in tijden zonder eigen badkamer)
Waar komt het woord badhuis vandaan?
Badhuis is een Nederlandse samenstelling van bad (uit het Oudnederlandse bath, water of bron) en huis. Het woord is sinds de Middeleeuwen gangbaar in West-Europa, parallel aan de opkomst van publieke baden in stedelijke contexten. In Nederland zijn sinds de twintigste eeuw veel badhuizen verdwenen door de verbetering van particuliere sanitatie. In de Japanse context wordt badhuis vaak vertaald als equivalent van sento.
Veelgestelde vragen over badhuis
- Wat betekent badhuis?
- openbare gelegenheid waar mensen kunnen baden of zwemmen
- Op welk taalniveau hoort badhuis?
- Het woord badhuis hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van badhuis?
- Synoniemen van badhuis zijn: openbaar bad, sento.
- Is badhuis een de-woord of het-woord?
- Badhuis is een het-woord: het badhuis.
- Wat is het verkleinwoord van badhuis?
- Het verkleinwoord van badhuis is: het het badhuisje.