Was dit nuttig?
afspreken
werkwoord | Taalniveau: A2
een ontmoeting plannen met iemand
Voorbeeldzinnen met het woord afspreken
- "We spraken af om samen te eten."
- "Ze spraken af bij oma thuis."
Idiomen
- • een datum prikken
Vervoeging van afspreken
| Ik (nu) | spreek af |
| Hij/zij (nu) | spreekt af |
| Wij (nu) | spreken af |
| Verleden tijd | sprak af |
| Voltooid deelw. | afgesproken |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over afspreken
- Wat betekent afspreken?
- een ontmoeting plannen met iemand
- Op welk taalniveau hoort afspreken?
- Het woord afspreken hoort bij taalniveau A2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Hoe vervoeg je afspreken in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je afspreken als volgt: ik spreek af, hij/zij spreekt af, wij spreken af.
- Wat is de verleden tijd van afspreken?
- De verleden tijd (enkelvoud) van afspreken is: sprak af.
- Wat is het voltooid deelwoord van afspreken?
- Het voltooid deelwoord van afspreken is: afgesproken.
- Gebruik je hebben of zijn bij afspreken?
- Bij afspreken gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij afspreken
hetkind
zelfstandig naamwoord
Jong persoon; ook: de zoon of dochter van iemand
deoma
zelfstandig naamwoord
De moeder van je vader of moeder; grootmoeder
detante
zelfstandig naamwoord
De zus van je vader of moeder
debaby
zelfstandig naamwoord
Heel jong kind dat nog niet kan lopen of praten
degrootmoeder
zelfstandig naamwoord
moeder van je vader of moeder
hetgezin
zelfstandig naamwoord
Een groep van ouders en kinderen die samen wonen
Gerelateerde taaltips
Je kunt of je kan: wat is correct?
Beide vormen zijn goed, maar er is een belangrijk verschil
Me of mijn: wat is het verschil en wat is correct?
Twijfel je tussen ‘me’ en ‘mijn’? Zo gebruik je ze op de juiste manier.
100 basiswoorden Nederlands voor beginners
De belangrijkste woorden om te leren, per categorie met voorbeeldzinnen