devakgenoot
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: B2 | Verkleinwoord: het het vakgenootje
iemand die hetzelfde beroep uitoefent als een ander
Voorbeeldzinnen met het woord vakgenoot
- "Op het congres ontmoette de chirurg honderden vakgenoten uit heel Europa."
- "Onder vakgenoten begrijpt men elkaars uitdagingen het best."
- "De jonge wetenschapper wisselde voor het eerst ideeen uit met internationale vakgenoten."
- "Vakgenoten zijn vaak elkaars eerste critici, maar ook elkaars beste sparringpartners."
- "In een zeldzaam vakgebied is het waardevol om elke vakgenoot persoonlijk te kennen."
Synoniemen van vakgenoot
Idiomen
- • onder vakgenoten gesproken (in een gesprek tussen mensen met dezelfde professie)
Waar komt het woord vakgenoot vandaan?
Vakgenoot is een Nederlandse samenstelling van vak (oorspronkelijk afdeling of vlak, uit het Germaanse fak) en genoot (uit het Oudnederlandse genot, deelgenoot). Het woord verwijst naar iemand die deelgenoot is van eenzelfde vakgebied. In het Nederlands is het sinds de achttiende eeuw gangbaar in beroepscontext en in vakliteratuur.
Veelgestelde vragen over vakgenoot
- Wat betekent vakgenoot?
- iemand die hetzelfde beroep uitoefent als een ander
- Op welk taalniveau hoort vakgenoot?
- Het woord vakgenoot hoort bij taalniveau B2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van vakgenoot?
- Synoniemen van vakgenoot zijn: collega, beroepsgenoot.
- Is vakgenoot een de-woord of het-woord?
- Vakgenoot is een de-woord: de vakgenoot.
- Wat is het verkleinwoord van vakgenoot?
- Het verkleinwoord van vakgenoot is: het het vakgenootje.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij vakgenoot
iemand waarmee je samenwerkt op hetzelfde werk of in dezelfd…
een beroep waarbij men met de handen vakkundig producten maa…
vrouwelijke zorgverlener in een ziekenhuis
iemand die professioneel eten bereidt in een restaurant of k…
iemand die ergens werkt en deel uitmaakt van een team of org…
iemand die een andere persoon helpt bij zijn werk