Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    deberoepsgenoot

    zelfstandig naamwoord | Taalniveau: B2 | Verkleinwoord: het het beroepsgenootje

    iemand die hetzelfde beroep uitoefent als jij

    Voorbeeldzinnen met het woord beroepsgenoot

    • "Op het congres ontmoette zij tientallen beroepsgenoten uit andere ziekenhuizen."
    • "Hij won de waardering van zijn beroepsgenoten met een baanbrekend artikel."
    • "Beroepsgenoten weten als geen ander welke uitdagingen het werk met zich meebrengt."
    • "Bij een beroepsvereniging treden duizenden beroepsgenoten gezamenlijk op."
    • "De ervaren advocate werd door beroepsgenoten gevraagd om een lezing te geven."

    Synoniemen van beroepsgenoot

    Idiomen

    • • onder beroepsgenoten gesproken (in een gesprek tussen mensen met dezelfde professie)

    Waar komt het woord beroepsgenoot vandaan?

    Beroepsgenoot is een Nederlandse samenstelling van beroep (uit het werkwoord beroepen, oorspronkelijk roepen tot een taak) en genoot (uit het Oudnederlandse genot, deelgenoot). Het woord is in betekenis verwant aan vakgenoot, maar legt sterker de nadruk op de gedeelde formele beroepsstatus. In het Nederlands is het sinds de achttiende eeuw gangbaar.

    Veelgestelde vragen over beroepsgenoot

    Wat betekent beroepsgenoot?
    iemand die hetzelfde beroep uitoefent als jij
    Op welk taalniveau hoort beroepsgenoot?
    Het woord beroepsgenoot hoort bij taalniveau B2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van beroepsgenoot?
    Synoniemen van beroepsgenoot zijn: vakgenoot, collega.
    Is beroepsgenoot een de-woord of het-woord?
    Beroepsgenoot is een de-woord: de beroepsgenoot.
    Wat is het verkleinwoord van beroepsgenoot?
    Het verkleinwoord van beroepsgenoot is: het het beroepsgenootje.

    Delen

    Bladeren op letter