Was dit nuttig?
hetberoep
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A1 | Verkleinwoord: het het beroepje
vaste betaalde bezigheid waarvoor iemand is opgeleid
Voorbeeldzinnen met het woord beroep
- "Wat is jouw beroep? Ik ben verpleegkundige."
- "Ze koos het beroep van leraar omdat ze van kinderen houdt."
Idiomen
- • Een beroep doen op
- • In beroep gaan
- • Zijn beroep kiezen
Veelgestelde vragen over beroep
- Wat betekent beroep?
- vaste betaalde bezigheid waarvoor iemand is opgeleid
- Op welk taalniveau hoort beroep?
- Het woord beroep hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van beroep?
- Synoniemen van beroep zijn: vak, professie, functie.
- Is beroep een de-woord of het-woord?
- Beroep is een het-woord: het beroep.
- Wat is het verkleinwoord van beroep?
- Het verkleinwoord van beroep is: het het beroepje.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij beroep
decollega
zelfstandig naamwoord
iemand waarmee je samenwerkt op hetzelfde werk of in dezelfd…
hetambacht
zelfstandig naamwoord
een beroep waarbij men met de handen vakkundig producten maa…
deverpleegster
zelfstandig naamwoord
vrouwelijke zorgverlener in een ziekenhuis
dekok
zelfstandig naamwoord
iemand die professioneel eten bereidt in een restaurant of k…
demedewerker
zelfstandig naamwoord
iemand die ergens werkt en deel uitmaakt van een team of org…
deassistent
zelfstandig naamwoord
iemand die een andere persoon helpt bij zijn werk