Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    detaalpartner

    zelfstandig naamwoord | Taalniveau: B1

    een persoon waarmee je samen een taal oefent, vaak wederzijds

    Voorbeeldzinnen met het woord taalpartner

    • "We zijn elkaars taalpartner: ik oefen Nederlands, zij oefent Engels."
    • "Een taalpartner helpt je vloeibaarder te worden."

    Synoniemen van taalpartner

    Veelgestelde vragen over taalpartner

    Wat betekent taalpartner?
    een persoon waarmee je samen een taal oefent, vaak wederzijds
    Op welk taalniveau hoort taalpartner?
    Het woord taalpartner hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van taalpartner?
    Synoniemen van taalpartner zijn: taalmaatje, taalbuddy.
    Is taalpartner een de-woord of het-woord?
    Taalpartner is een de-woord: de taalpartner.

    Delen

    Bladeren op letter