Was dit nuttig?
detaalpartner
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: B1
een persoon waarmee je samen een taal oefent, vaak wederzijds
Voorbeeldzinnen met het woord taalpartner
- "We zijn elkaars taalpartner: ik oefen Nederlands, zij oefent Engels."
- "Een taalpartner helpt je vloeibaarder te worden."
Synoniemen van taalpartner
Veelgestelde vragen over taalpartner
- Wat betekent taalpartner?
- een persoon waarmee je samen een taal oefent, vaak wederzijds
- Op welk taalniveau hoort taalpartner?
- Het woord taalpartner hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van taalpartner?
- Synoniemen van taalpartner zijn: taalmaatje, taalbuddy.
- Is taalpartner een de-woord of het-woord?
- Taalpartner is een de-woord: de taalpartner.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij taalpartner
detekst
zelfstandig naamwoord
een reeks geschreven of gesproken woorden met een boodschap
devraag
zelfstandig naamwoord
een zin of uiting waarmee je om informatie vraagt
devrijstelling
zelfstandig naamwoord
ontheffing van de plicht om een les of vak te volgen
deaandacht
zelfstandig naamwoord
de geestelijke aanwezigheid en focus op iets
hetomega
zelfstandig naamwoord
de laatste letter van het Griekse alfabet; symbool voor het …
dezorgcoördinator
zelfstandig naamwoord
medewerker die leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte b…
Gerelateerde taaltips
Yankee: een Nederlands woord dat de wereld veroverde
Hoe Jan en Kees de naam gaven aan een heel volk
Kennen of weten: wat is het verschil?
Twee werkwoorden, één vertaling — leer wanneer je welk gebruikt
Voorkomen of verkomen? Zo gebruik je het goed
Leer de 3 betekenissen van voorkomen + een handig ezelsbruggetje