Was dit nuttig?
optellen
werkwoord | Taalniveau: A1
getallen bij elkaar voegen om de som te berekenen
Voorbeeldzinnen met het woord optellen
- "Tel drie en vier op: zeven."
- "Kun jij deze getallen optellen?"
Synoniemen van optellen
Idiomen
- • bij elkaar optellen
- • de som opmaken
Vervoeging van optellen
| Ik (nu) | ik tel op |
| Hij/zij (nu) | hij telt op |
| Wij (nu) | wij tellen op |
| Verleden tijd | telde op |
| Voltooid deelw. | opgeteld |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over optellen
- Wat betekent optellen?
- getallen bij elkaar voegen om de som te berekenen
- Op welk taalniveau hoort optellen?
- Het woord optellen hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van optellen?
- Synoniemen van optellen zijn: plus, samentellen.
- Hoe vervoeg je optellen in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je optellen als volgt: ik ik tel op, hij/zij hij telt op, wij wij tellen op.
- Wat is de verleden tijd van optellen?
- De verleden tijd (enkelvoud) van optellen is: telde op.
- Wat is het voltooid deelwoord van optellen?
- Het voltooid deelwoord van optellen is: opgeteld.
- Gebruik je hebben of zijn bij optellen?
- Bij optellen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij optellen
elf
telwoord
Het getal 11; één meer dan tien
hetcijfer
zelfstandig naamwoord
Een symbool dat een getal weergeeft (0-9); ook een schoolbeo…
twee
telwoord
Het getal 2; een paar
duizend
telwoord
Het getal 1000; tien keer honderd
hetgetal
zelfstandig naamwoord
Een wiskundige grootheid die aangeeft hoeveel iets is
nul
telwoord
Het getal 0; er is niets aanwezig