Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    nuanceren

    werkwoord | Taalniveau: C1

    subtiele onderscheidingen aanbrengen; iets niet te absoluut stellen

    Voorbeeldzinnen met het woord nuanceren

    • "Ze nuanceerde haar uitspraak door context toe te voegen."
    • "Hij nuanceerde de kritiek en erkende ook de sterke punten."

    Synoniemen van nuanceren

    Vervoeging van nuanceren

    Ik (nu) ik nuanceer
    Hij/zij (nu) hij nuanceert
    Wij (nu) wij nuanceren
    Verleden tijd nuanceerde
    Voltooid deelw. genuanceerd
    Hulpwerkwoord hebben

    Veelgestelde vragen over nuanceren

    Wat betekent nuanceren?
    subtiele onderscheidingen aanbrengen; iets niet te absoluut stellen
    Op welk taalniveau hoort nuanceren?
    Het woord nuanceren hoort bij taalniveau C1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van nuanceren?
    Synoniemen van nuanceren zijn: verfijnen, relativeren, differentiëren.
    Hoe vervoeg je nuanceren in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je nuanceren als volgt: ik ik nuanceer, hij/zij hij nuanceert, wij wij nuanceren.
    Wat is de verleden tijd van nuanceren?
    De verleden tijd (enkelvoud) van nuanceren is: nuanceerde.
    Wat is het voltooid deelwoord van nuanceren?
    Het voltooid deelwoord van nuanceren is: genuanceerd.
    Gebruik je hebben of zijn bij nuanceren?
    Bij nuanceren gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".

    Delen

    Bladeren op letter