Was dit nuttig?
hethuis
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A1
gebouw met meerdere kamers waar mensen wonen
Voorbeeldzinnen met het woord huis
- "We hebben een nieuw huis gekocht in de buurt."
- "Het huis heeft drie slaapkamers en een grote tuin."
Idiomen
- • Met de deur in huis vallen
- • Van huis uit
- • Huis en haard
Veelgestelde vragen over huis
- Wat betekent huis?
- gebouw met meerdere kamers waar mensen wonen
- Op welk taalniveau hoort huis?
- Het woord huis hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van huis?
- Synoniemen van huis zijn: woning, woonhuis, pand.
- Is huis een de-woord of het-woord?
- Huis is een het-woord: het huis.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij huis
detafel
zelfstandig naamwoord
Meubel met een plat blad waaraan je kunt zitten en eten
hetvenster
zelfstandig naamwoord
Raam (formeel).
dekamer
zelfstandig naamwoord
Afgebakende ruimte in een huis of gebouw
delift
zelfstandig naamwoord
apparaat om mensen van verdieping te wisselen
dehuur
zelfstandig naamwoord
geldbedrag dat je betaalt om ergens te wonen
dehypotheek
zelfstandig naamwoord
lening om een huis te kopen