Was dit nuttig?
hetgezinslid
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A2
persoon die deel uitmaakt van een gezin
Voorbeeldzinnen met het woord gezinslid
- "Elk gezinslid heeft zijn eigen taak thuis."
- "Ze bespreekt de vakantie met elk gezinslid."
Synoniemen van gezinslid
Veelgestelde vragen over gezinslid
- Wat betekent gezinslid?
- persoon die deel uitmaakt van een gezin
- Op welk taalniveau hoort gezinslid?
- Het woord gezinslid hoort bij taalniveau A2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van gezinslid?
- Synoniemen van gezinslid zijn: familielid.
- Is gezinslid een de-woord of het-woord?
- Gezinslid is een het-woord: het gezinslid.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij gezinslid
hetkind
zelfstandig naamwoord
Jong persoon; ook: de zoon of dochter van iemand
deoma
zelfstandig naamwoord
De moeder van je vader of moeder; grootmoeder
detante
zelfstandig naamwoord
De zus van je vader of moeder
debaby
zelfstandig naamwoord
Heel jong kind dat nog niet kan lopen of praten
degrootmoeder
zelfstandig naamwoord
moeder van je vader of moeder
hetgezin
zelfstandig naamwoord
Een groep van ouders en kinderen die samen wonen
Gerelateerde taaltips
Je kunt of je kan: wat is correct?
Beide vormen zijn goed, maar er is een belangrijk verschil
Me of mijn: wat is het verschil en wat is correct?
Twijfel je tussen ‘me’ en ‘mijn’? Zo gebruik je ze op de juiste manier.
100 basiswoorden Nederlands voor beginners
De belangrijkste woorden om te leren, per categorie met voorbeeldzinnen