Was dit nuttig?
debus
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A1 | Verkleinwoord: het het busje
Groot voertuig voor openbaar vervoer over de weg dat veel passagiers tegelijk kan vervoeren
Voorbeeldzinnen met het woord bus
- "Ik neem de bus naar het werk."
- "De bus vertrekt om kwart over acht."
- "Ze wacht op de bus bij de halte."
Idiomen
- • De laatste bus missen
Veelgestelde vragen over bus
- Wat betekent bus?
- Groot voertuig voor openbaar vervoer over de weg dat veel passagiers tegelijk kan vervoeren
- Op welk taalniveau hoort bus?
- Het woord bus hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van bus?
- Synoniemen van bus zijn: autobus, lijnbus, tram.
- Is bus een de-woord of het-woord?
- Bus is een de-woord: de bus.
- Wat is het verkleinwoord van bus?
- Het verkleinwoord van bus is: het het busje.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij bus
hetgevaarlijk kruispunt
zelfstandig naamwoord
kruispunt bekend om een hoog aantal verkeersongevallen
dewagen
zelfstandig naamwoord
Auto of kar (formeel).
dereiskosten
zelfstandig naamwoord
de kosten die gemaakt worden voor woon-werkverkeer
derijtest
zelfstandig naamwoord
praktijkexamen voor het rijbewijs
devoertuigregistratie
zelfstandig naamwoord
officiële registratie van een voertuig bij de overheid
debumper
zelfstandig naamwoord
beschermende balk aan de voor- of achterkant van een auto