Was dit nuttig?
betegelen
werkwoord | Taalniveau: B1
tegels leggen op een vloer of wand
Voorbeeldzinnen met het woord betegelen
- "Ze betegelen de douche met witte tegels."
- "Hij betegelde de keuken in het weekend."
Idiomen
- • de badkamer betegelen
Vervoeging van betegelen
| Ik (nu) | betegel |
| Hij/zij (nu) | betegelt |
| Wij (nu) | betegelen |
| Verleden tijd | betegelde |
| Voltooid deelw. | betegeld |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over betegelen
- Wat betekent betegelen?
- tegels leggen op een vloer of wand
- Op welk taalniveau hoort betegelen?
- Het woord betegelen hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Hoe vervoeg je betegelen in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je betegelen als volgt: ik betegel, hij/zij betegelt, wij betegelen.
- Wat is de verleden tijd van betegelen?
- De verleden tijd (enkelvoud) van betegelen is: betegelde.
- Wat is het voltooid deelwoord van betegelen?
- Het voltooid deelwoord van betegelen is: betegeld.
- Gebruik je hebben of zijn bij betegelen?
- Bij betegelen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij betegelen
detafel
zelfstandig naamwoord
Meubel met een plat blad waaraan je kunt zitten en eten
hetvenster
zelfstandig naamwoord
Raam (formeel).
dekamer
zelfstandig naamwoord
Afgebakende ruimte in een huis of gebouw
delift
zelfstandig naamwoord
apparaat om mensen van verdieping te wisselen
dehuur
zelfstandig naamwoord
geldbedrag dat je betaalt om ergens te wonen
dehypotheek
zelfstandig naamwoord
lening om een huis te kopen
Gerelateerde taaltips
Yankee: een Nederlands woord dat de wereld veroverde
Hoe Jan en Kees de naam gaven aan een heel volk
Kennen of weten: wat is het verschil?
Twee werkwoorden, één vertaling — leer wanneer je welk gebruikt
Voorkomen of verkomen? Zo gebruik je het goed
Leer de 3 betekenissen van voorkomen + een handig ezelsbruggetje