Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    betegelen

    werkwoord | Taalniveau: B1

    tegels leggen op een vloer of wand

    Voorbeeldzinnen met het woord betegelen

    • "Ze betegelen de douche met witte tegels."
    • "Hij betegelde de keuken in het weekend."

    Idiomen

    • • de badkamer betegelen

    Vervoeging van betegelen

    Ik (nu) betegel
    Hij/zij (nu) betegelt
    Wij (nu) betegelen
    Verleden tijd betegelde
    Voltooid deelw. betegeld
    Hulpwerkwoord hebben

    Veelgestelde vragen over betegelen

    Wat betekent betegelen?
    tegels leggen op een vloer of wand
    Op welk taalniveau hoort betegelen?
    Het woord betegelen hoort bij taalniveau B1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Hoe vervoeg je betegelen in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je betegelen als volgt: ik betegel, hij/zij betegelt, wij betegelen.
    Wat is de verleden tijd van betegelen?
    De verleden tijd (enkelvoud) van betegelen is: betegelde.
    Wat is het voltooid deelwoord van betegelen?
    Het voltooid deelwoord van betegelen is: betegeld.
    Gebruik je hebben of zijn bij betegelen?
    Bij betegelen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".

    Delen

    Bladeren op letter