Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    uitwijken

    werkwoord | Taalniveau: B2

    opzij gaan om een botsing of obstakel te vermijden, of tijdelijk een andere weg nemen

    Voorbeeldzinnen met het woord uitwijken

    • "De automobilist week snel uit voor de plotseling overstekende fietser."
    • "Door de wegwerkzaamheden moesten alle vrachtwagens uitwijken via de ringweg."

    Synoniemen van uitwijken

    Idiomen

    • • voor iemand uitwijken (iemand zijn zin geven door geen tegenstand te bieden)

    Vervoeging van uitwijken

    Ik (nu) ik wijk uit
    Hij/zij (nu) hij wijkt uit
    Wij (nu) wij wijken uit
    Verleden tijd week uit
    Voltooid deelw. uitgeweken
    Hulpwerkwoord zijn

    Veelgestelde vragen over uitwijken

    Wat betekent uitwijken?
    opzij gaan om een botsing of obstakel te vermijden, of tijdelijk een andere weg nemen
    Op welk taalniveau hoort uitwijken?
    Het woord uitwijken hoort bij taalniveau B2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Wat zijn synoniemen van uitwijken?
    Synoniemen van uitwijken zijn: ontwijken, omzeilen.
    Hoe vervoeg je uitwijken in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je uitwijken als volgt: ik ik wijk uit, hij/zij hij wijkt uit, wij wij wijken uit.
    Wat is de verleden tijd van uitwijken?
    De verleden tijd (enkelvoud) van uitwijken is: week uit.
    Wat is het voltooid deelwoord van uitwijken?
    Het voltooid deelwoord van uitwijken is: uitgeweken.
    Gebruik je hebben of zijn bij uitwijken?
    Bij uitwijken gebruik je het hulpwerkwoord "zijn".

    Delen

    Bladeren op letter