Hét woordenboek.nlWaar woorden betekenis krijgen
    Inloggen
    Was dit nuttig?

    trouwen

    werkwoord | Taalniveau: A2

    in het huwelijk treden

    Voorbeeldzinnen met het woord trouwen

    • "Ze trouwen volgend jaar in de zomer."
    • "Ze trouwden op een zonnige zomerdag."

    Idiomen

    • • de knoop doorhakken

    Vervoeging van trouwen

    Ik (nu) trouw
    Hij/zij (nu) trouwt
    Wij (nu) trouwen
    Verleden tijd trouwde
    Voltooid deelw. getrouwd
    Hulpwerkwoord hebben

    Veelgestelde vragen over trouwen

    Wat betekent trouwen?
    in het huwelijk treden
    Op welk taalniveau hoort trouwen?
    Het woord trouwen hoort bij taalniveau A2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
    Hoe vervoeg je trouwen in de tegenwoordige tijd?
    In de tegenwoordige tijd vervoeg je trouwen als volgt: ik trouw, hij/zij trouwt, wij trouwen.
    Wat is de verleden tijd van trouwen?
    De verleden tijd (enkelvoud) van trouwen is: trouwde.
    Wat is het voltooid deelwoord van trouwen?
    Het voltooid deelwoord van trouwen is: getrouwd.
    Gebruik je hebben of zijn bij trouwen?
    Bij trouwen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".

    Delen

    Bladeren op letter