Was dit nuttig?
rijden
werkwoord | Taalniveau: A1
1werkwoord| Taalniveau: A1
Zich verplaatsen met een voertuig zoals een auto, fiets of trein
Voorbeeldzinnen met het woord rijden
- "Hij rijdt elke dag naar zijn werk."
- "Ze rijdt al tien jaar auto."
- "Rij voorzichtig in de regen."
Idiomen
- • Rijden of lopen
- • Tegen de lamp rijden
2werkwoord| Taalniveau: A1
op een fiets voortbewegen
Voorbeeldzinnen met het woord rijden
- "Elke dag rijdt hij twintig kilometer naar zijn werk en terug."
- "Ze leerde rijden op haar vierde en was de snelste van de klas."
Idiomen
- • Een scheve schaats rijden
- • Rijden als een wervelwind
Vervoeging van rijden
| Ik (nu) | rijd |
| Hij/zij (nu) | rijdt |
| Wij (nu) | rijden |
| Verleden tijd | reed |
| Voltooid deelw. | gereden |
| Hulpwerkwoord | hebben/zijn |
Veelgestelde vragen over rijden
- Wat betekent rijden?
- Zich verplaatsen met een voertuig zoals een auto, fiets of trein
- Op welk taalniveau hoort rijden?
- Het woord rijden hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van rijden?
- Synoniemen van rijden zijn: besturen, reizen.
- Hoe vervoeg je rijden in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je rijden als volgt: ik rijd, hij/zij rijdt, wij rijden.
- Wat is de verleden tijd van rijden?
- De verleden tijd (enkelvoud) van rijden is: reed.
- Wat is het voltooid deelwoord van rijden?
- Het voltooid deelwoord van rijden is: gereden.
- Gebruik je hebben of zijn bij rijden?
- Bij rijden gebruik je het hulpwerkwoord "hebben/zijn".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij rijden
hetgevaarlijk kruispunt
zelfstandig naamwoord
kruispunt bekend om een hoog aantal verkeersongevallen
stipt
bijvoeglijk naamwoord
precies op tijd, zonder vertraging
vol
bijvoeglijk naamwoord
met geen vrije plaatsen meer, volledig bezet
dewagen
zelfstandig naamwoord
Auto of kar (formeel).
dereiskosten
zelfstandig naamwoord
de kosten die gemaakt worden voor woon-werkverkeer
druk
bijvoeglijk naamwoord
met veel verkeer of mensen aanwezig