Was dit nuttig?
dereis
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A1
het afleggen van een traject naar een bestemming; uitstap of vakantie
Voorbeeldzinnen met het woord reis
- "Ze maakte een lange reis door Zuid-Amerika met een rugzak."
- "De treinreis van Amsterdam naar Parijs duurt ruim drie uur."
Idiomen
- • op reis gaan
Veelgestelde vragen over reis
- Wat betekent reis?
- het afleggen van een traject naar een bestemming; uitstap of vakantie
- Op welk taalniveau hoort reis?
- Het woord reis hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van reis?
- Synoniemen van reis zijn: trip, tocht.
- Is reis een de-woord of het-woord?
- Reis is een de-woord: de reis.