Was dit nuttig?
degezinsvakantie
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A2
vakantie die het hele gezin samen maakt
Voorbeeldzinnen met het woord gezinsvakantie
- "Ze plannen elk jaar een gezinsvakantie."
- "De gezinsvakantie was in Spanje."
Synoniemen van gezinsvakantie
Veelgestelde vragen over gezinsvakantie
- Wat betekent gezinsvakantie?
- vakantie die het hele gezin samen maakt
- Op welk taalniveau hoort gezinsvakantie?
- Het woord gezinsvakantie hoort bij taalniveau A2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van gezinsvakantie?
- Synoniemen van gezinsvakantie zijn: familievakantie.
- Is gezinsvakantie een de-woord of het-woord?
- Gezinsvakantie is een de-woord: de gezinsvakantie.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij gezinsvakantie
hetkind
zelfstandig naamwoord
Jong persoon; ook: de zoon of dochter van iemand
deoma
zelfstandig naamwoord
De moeder van je vader of moeder; grootmoeder
detante
zelfstandig naamwoord
De zus van je vader of moeder
debaby
zelfstandig naamwoord
Heel jong kind dat nog niet kan lopen of praten
degrootmoeder
zelfstandig naamwoord
moeder van je vader of moeder
hetgezin
zelfstandig naamwoord
Een groep van ouders en kinderen die samen wonen
Gerelateerde taaltips
Je kunt of je kan: wat is correct?
Beide vormen zijn goed, maar er is een belangrijk verschil
Me of mijn: wat is het verschil en wat is correct?
Twijfel je tussen ‘me’ en ‘mijn’? Zo gebruik je ze op de juiste manier.
100 basiswoorden Nederlands voor beginners
De belangrijkste woorden om te leren, per categorie met voorbeeldzinnen