Was dit nuttig?
debrug
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A1
1zelfstandig naamwoord| Taalniveau: A1
constructie over water of een weg
Voorbeeldzinnen met het woord brug
- "Ze fietsten over de brug."
- "De brug is geblokkeerd door werkzaamheden."
Synoniemen van brug
Idiomen
- • Bruggen slaan
- • Bruggen bouwen
2zelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2
kunstmatig gebitselement op metalen steunpilaren dat een lege tandplek overbrugt
Voorbeeldzinnen met het woord brug
- "De tandarts plaatste een brug om de lege plek na de extractie op te vullen."
- "Een brug in de mond is vaak goedkoper dan een implantaat."
Synoniemen van brug
Idiomen
- • Bruggen slaan
- • Bruggen bouwen
3zelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2
turntoestel met twee horizontale balken op poten waarover gesprongen of gevault wordt
Voorbeeldzinnen met het woord brug
- "De turner maakte een vlekkeloze sprong over de brug op het NK turnen."
- "Op de brug oefende ze urenlang totdat de sprong perfect zat."
Idiomen
- • Bruggen slaan
- • Bruggen bouwen
Veelgestelde vragen over brug
- Wat betekent brug?
- constructie over water of een weg
- Op welk taalniveau hoort brug?
- Het woord brug hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van brug?
- Synoniemen van brug zijn: viaduct.
- Is brug een de-woord of het-woord?
- Brug is een de-woord: de brug.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij brug
hetgevaarlijk kruispunt
zelfstandig naamwoord
kruispunt bekend om een hoog aantal verkeersongevallen
dewagen
zelfstandig naamwoord
Auto of kar (formeel).
dereiskosten
zelfstandig naamwoord
de kosten die gemaakt worden voor woon-werkverkeer
derijtest
zelfstandig naamwoord
praktijkexamen voor het rijbewijs
devoertuigregistratie
zelfstandig naamwoord
officiële registratie van een voertuig bij de overheid
debumper
zelfstandig naamwoord
beschermende balk aan de voor- of achterkant van een auto