Was dit nuttig?
wonen
werkwoord | Taalniveau: A1
in een bepaalde woning verblijven
Voorbeeldzinnen met het woord wonen
- "Ze wonen al tien jaar in dit huis."
- "Ze woonde vroeger in een flat."
Idiomen
- • ergens zijn nest bouwen
Vervoeging van wonen
| Ik (nu) | woon |
| Hij/zij (nu) | woont |
| Wij (nu) | wonen |
| Verleden tijd | woonde |
| Voltooid deelw. | gewoond |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over wonen
- Wat betekent wonen?
- in een bepaalde woning verblijven
- Op welk taalniveau hoort wonen?
- Het woord wonen hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Hoe vervoeg je wonen in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je wonen als volgt: ik woon, hij/zij woont, wij wonen.
- Wat is de verleden tijd van wonen?
- De verleden tijd (enkelvoud) van wonen is: woonde.
- Wat is het voltooid deelwoord van wonen?
- Het voltooid deelwoord van wonen is: gewoond.
- Gebruik je hebben of zijn bij wonen?
- Bij wonen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij wonen
detafel
zelfstandig naamwoord
Meubel met een plat blad waaraan je kunt zitten en eten
hetvenster
zelfstandig naamwoord
Raam (formeel).
dekamer
zelfstandig naamwoord
Afgebakende ruimte in een huis of gebouw
delift
zelfstandig naamwoord
apparaat om mensen van verdieping te wisselen
dehuur
zelfstandig naamwoord
geldbedrag dat je betaalt om ergens te wonen
dehypotheek
zelfstandig naamwoord
lening om een huis te kopen