Was dit nuttig?
destoel
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A1
1zelfstandig naamwoord| Taalniveau: A1
Meubel met een rug- en zitlaat, bedoeld voor één persoon
Voorbeeldzinnen met het woord stoel
- "Ga op die stoel zitten."
- "Er staan vier stoelen aan de tafel."
- "Ze schoof haar stoel aan."
Idiomen
- • Tussen twee stoelen vallen
2zelfstandig naamwoord| Taalniveau: B2
ambt of gezagspositie die iemand bekleedt
Voorbeeldzinnen met het woord stoel
- "Na zijn pensionering werd de stoel van directeur door zijn opvolgster overgenomen."
- "De stoel van de voorzitter staat al drie jaar leeg na diens plotselinge aftreden."
Idiomen
- • Op de stoel zitten
- • Iemand de stoel uitkegelen
Veelgestelde vragen over stoel
- Wat betekent stoel?
- Meubel met een rug- en zitlaat, bedoeld voor één persoon
- Op welk taalniveau hoort stoel?
- Het woord stoel hoort bij taalniveau A1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van stoel?
- Synoniemen van stoel zijn: zetel, zitplaats, kruk.
- Is stoel een de-woord of het-woord?
- Stoel is een de-woord: de stoel.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij stoel
detafel
zelfstandig naamwoord
Meubel met een plat blad waaraan je kunt zitten en eten
hetvenster
zelfstandig naamwoord
Raam (formeel).
dekamer
zelfstandig naamwoord
Afgebakende ruimte in een huis of gebouw
delift
zelfstandig naamwoord
apparaat om mensen van verdieping te wisselen
dehuur
zelfstandig naamwoord
geldbedrag dat je betaalt om ergens te wonen
dehypotheek
zelfstandig naamwoord
lening om een huis te kopen