Was dit nuttig?
dereiskaart
zelfstandig naamwoord | Taalniveau: A2
kaart of abonnement waarmee iemand met het openbaar vervoer reist
Voorbeeldzinnen met het woord reiskaart
- "Ze koopt een dagkaart als reiskaart."
- "Via een reiskaart reist ze onbeperkt een week."
Synoniemen van reiskaart
Veelgestelde vragen over reiskaart
- Wat betekent reiskaart?
- kaart of abonnement waarmee iemand met het openbaar vervoer reist
- Op welk taalniveau hoort reiskaart?
- Het woord reiskaart hoort bij taalniveau A2 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van reiskaart?
- Synoniemen van reiskaart zijn: treinkaart, OV-pas.
- Is reiskaart een de-woord of het-woord?
- Reiskaart is een de-woord: de reiskaart.
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij reiskaart
hetgevaarlijk kruispunt
zelfstandig naamwoord
kruispunt bekend om een hoog aantal verkeersongevallen
dewagen
zelfstandig naamwoord
Auto of kar (formeel).
dereiskosten
zelfstandig naamwoord
de kosten die gemaakt worden voor woon-werkverkeer
derijtest
zelfstandig naamwoord
praktijkexamen voor het rijbewijs
devoertuigregistratie
zelfstandig naamwoord
officiële registratie van een voertuig bij de overheid
debumper
zelfstandig naamwoord
beschermende balk aan de voor- of achterkant van een auto
Gerelateerde taaltips
Je kunt of je kan: wat is correct?
Beide vormen zijn goed, maar er is een belangrijk verschil
Me of mijn: wat is het verschil en wat is correct?
Twijfel je tussen ‘me’ en ‘mijn’? Zo gebruik je ze op de juiste manier.
100 basiswoorden Nederlands voor beginners
De belangrijkste woorden om te leren, per categorie met voorbeeldzinnen