Was dit nuttig?
anticiperen
werkwoord | Taalniveau: C1
vooruitlopen op iets dat verwacht wordt; zich voorbereiden op komende situaties
Voorbeeldzinnen met het woord anticiperen
- "Het bedrijf anticipeerde op de veranderende markt."
- "Ze anticipeerde op mogelijke bezwaren tijdens de vergadering."
Synoniemen van anticiperen
Vervoeging van anticiperen
| Ik (nu) | ik anticipeer |
| Hij/zij (nu) | hij anticipeert |
| Wij (nu) | wij anticiperen |
| Verleden tijd | anticipeerde |
| Voltooid deelw. | geanticipeerd |
| Hulpwerkwoord | hebben |
Veelgestelde vragen over anticiperen
- Wat betekent anticiperen?
- vooruitlopen op iets dat verwacht wordt; zich voorbereiden op komende situaties
- Op welk taalniveau hoort anticiperen?
- Het woord anticiperen hoort bij taalniveau C1 volgens het Europees Referentiekader (CEFR).
- Wat zijn synoniemen van anticiperen?
- Synoniemen van anticiperen zijn: vooruitlopen, inspelen op, voorzien.
- Hoe vervoeg je anticiperen in de tegenwoordige tijd?
- In de tegenwoordige tijd vervoeg je anticiperen als volgt: ik ik anticipeer, hij/zij hij anticipeert, wij wij anticiperen.
- Wat is de verleden tijd van anticiperen?
- De verleden tijd (enkelvoud) van anticiperen is: anticipeerde.
- Wat is het voltooid deelwoord van anticiperen?
- Het voltooid deelwoord van anticiperen is: geanticipeerd.
- Gebruik je hebben of zijn bij anticiperen?
- Bij anticiperen gebruik je het hulpwerkwoord "hebben".
Alfabetisch
Gerelateerde woorden bij anticiperen
menen
werkwoord
Van mening zijn, denken of geloven.
wikken
werkwoord
zorgvuldig nadenken en alle mogelijkheden overwegen voordat …
dwalen
werkwoord
afdwalen van de juiste gedachtegang of richting; ook: rondzw…
peinzen
werkwoord
Diep nadenken, overdenken.
weten
werkwoord
kennis of informatie hebben over iets
doordringen
werkwoord
ergens volledig doordrongen van raken; ook: fysiek ergens do…